Hij was een product van de tekentafel van Giorgetto Giugiaro, de geest van Colin Chapman en het vakmanschap van een kleine fabriek in het Engelse Norfolk. De Lotus Esprit werd in 1972 als concept aan de wereld gepresenteerd en groeide uit tot een van de langstlopende sportauto's in de Britse geschiedenis. Van de eerste S1 in 1976 tot de allerlaatste Final Edition die op 20 februari 2004 de fabriek in Hethel verliet: dit is het verhaal van de Esprit.
De Esprit begon als een ontwerp op papier, niet als een technische opdracht. Toen Colin Chapman in 1971 de Italiaanse ontwerper Giorgetto Giugiaro ontmoette, was dat op initiatief van Lotus-stylist Oliver Winterbottom. Giugiaro werkte op dat moment aan zijn Maserati Boomerang-concept en liet zich daardoor inspireren voor een nieuw Lotus-model. Intern werd het project M70 gedoopt — een opvolger voor de Lotus Europa.
In november 1972 stond het resultaat op de autoshow van Turijn: een strakke, zilverkleurige middenmotor-coupé met vlakke, scherp gesneden carrosseriepanelen. Giugiaro noemde zijn stijl zelf het “gevouwen papier”-ontwerp. De reactie van het publiek was overweldigend. De definitieve productieversie bleef verrassend dicht bij dat eerste concept. Na verdere ontwikkeling werd de Esprit in oktober 1975 officieel gepresenteerd op de Parijse motorshow, en in juni 1976 begon de productie in Hethel.
De eerste Esprit woog minder dan 1.000 kilo en had een 2,0-liter Lotus 907-motor met 160 pk. De glasvezelcarrosserie was gemonteerd op een stalen ruggengraatchassis, een constructie die Lotus ook bij eerdere modellen had toegepast. De versnellingsbak was afkomstig van Citroën — dezelfde unit die ook in de SM en de Maserati Merak zat. De S1 was rauw, puur en snel, maar ook kwetsbaar en koel in de winter, en in de zomer ondraaglijk warm vanwege de hitte van de motor direct achter de bestuurder.
In 1977 maakte de Esprit zijn filmdebuut in de James Bondfilm The Spy Who Loved Me, waarbij hij ook als duikboot diende. De publiciteit was enorm en vestigde de Esprit definitief in het collectieve geheugen. Er werden 864 exemplaren van de S1 gebouwd.
De S2 bracht verfijning waar de S1 nog ruwheid kende. Het interieur werd aangenamer, de ventilatie verbeterd en de bumpers aangepast om te voldoen aan Amerikaanse veiligheidseisen. Uitwendig waren de wijzigingen subtiel — de basisvorm van Giugiaro bleef onaangetast.
In 1978 verscheen een speciale editie in het zwart-goud van John Player Special, de toenmalige Formule 1-sponsor van Lotus, ter viering van de wereldtitel van dat jaar. Hoewel Lotus sprak van 300 exemplaren, schatten kenners het werkelijke aantal op circa 149. In 1980 volgde de S2.2 als overgangsmodel met een grotere 2,2-liter motor voor meer koppel, zonder dat het vermogen veranderde.
In februari 1980 veranderde alles. Op de autoshow van Genève presenteerde Lotus de Esprit Turbo — aangedreven door een 2,2-liter motor met turbocompressor goed voor 210 pk. De auto was direct leverbaar in de spectaculaire blauw-rood-zilveren Essex-kleuren, de huisstijl van de toenmalige Formule 1-sponsor. Van deze Essex Turbo werden slechts 45 exemplaren gebouwd, en zij zijn tot op de dag van vandaag de meest gezochte Esprits onder verzamelaars.
Vanaf april 1981 volgde de reguliere productie-Turbo, de S3 Turbo. Goedkoper in afwerking dan de Essex, maar technisch gelijkwaardig. Met dit model verscheen de Esprit ook in For Your Eyes Only — de film waarbij mijn Lotus restauratieproject zijn oorsprong vindt. De S3 Turbo werd tot 1987 gebouwd en vormde jarenlang de ruggengraat van het Esprit-aanbod.
Naast de turboversie bleef ook een atmosferische Esprit S3 leverbaar voor kopers die de eenvoud van een motor zonder turbocompressor prefereerden. De S3 deelde zijn koets en chassis met de S3 Turbo, maar had de 2,2-liter motor zonder compressor. In 1986 verschenen de HC-versies (High Compression) met hoger gecomprimeerde motoren: de atmosferische HC leverde 170 pk, de Turbo HC 215 pk. Deze waren de laatste Esprits met de originele Giugiaro-koets.
In oktober 1987 presenteerde Lotus een geheel vernieuwde Esprit. De opdracht aan ontwerper Peter Stevens luidde: moderniseer het uiterlijk, maar laat de techniek ongemoeid. Stevens, bijgestaan door Colin Spooner en Ken Sears, gaf de Esprit rondere vormen, een andere neus en een compleet nieuw interieur. De herkenbare pop-up koplampen bleven, maar de scherpe Giugiaro-lijnen maakten plaats voor een vloeiender silhouet.
De Stevens-Esprit zou van 1987 tot en met 2004 in productie blijven — in diverse varianten met steeds meer vermogen. De Turbo SE uit 1989 was de eerste brandstofgeïnjecteerde watergekoelde turboversie en leverde 264 pk. Met een 0-100 km/u-tijd van 4,7 seconden was hij in zijn klasse onmiskenbaar een supercar.
In 1993 introduceerde Julian Thomson de S4, de eerste Esprit met stuurbekrachtiging en ABS, met een vernieuwd exterieur en interieur. De S4s (1995) bood 285 pk en combineerde het comfort van de S4 met de scherpte van de Sport 300. Naast de S4-lijn verscheen in 1996 de GT3: de lichter afgespecte viercilinder-Esprit zonder achtervleugel, goed voor 240 pk. Licht, puur en wendbaar — hij groeide uit tot een geliefde rijdersauto.
De grootste stap in de Esprit-geschiedenis na de introductie van de turbo was de komst van de V8 in 1996. Lotus ontwierp een geheel nieuwe 3,5-liter twin-turbo V8 die 350 pk leverde — herkenbaar aan de rode cam-covers. De V8-Esprit was beschikbaar in drie varianten: V8 (standaard), V8 SE (luxe) en V8 GT (sport). In 1999 volgde de gelimiteerde Sport 350, waarvan slechts 42 stuks werden gebouwd.
In 2002 kreeg de Esprit zijn laatste facelift, uitgevoerd door Russell Carr. De ronde achterlichten, ontleend aan de Elise S2, en een lipspoiler aan de voorzijde gaven de auto een frissere uitstraling. De allerlaatste exemplaren, de Final Edition, werden in 79 exemplaren gebouwd tussen 2002 en 2004. Op 20 februari 2004 rolde de laatste Esprit — een saffraangele V8 met chassisnummer 10621 — van de productielijn in Hethel. Hij werd verscheept naar de Verenigde Staten. In totaal werden er 10.675 Esprits gebouwd over een periode van 28 jaar.
In totaal verlieten 10.675 Esprits de fabriek in Hethel over een productieperiode van 28 jaar. Dat komt neer op gemiddeld 381 auto’s per jaar — een getal dat aangeeft hoe zeldzaam de Esprit altijd is geweest. Het productiepiekjaar was 1988, met 1.058 gebouwde exemplaren.
| Model | Periode | Motor | Aantal |
|---|---|---|---|
| Giugiaro-tijdperk | |||
| Esprit S1 | 1976–1977 | 2,0L 907, 160 pk | 864 |
| Esprit S2 | 1978–1980 | 2,0L 907, 160 pk | 1.072 |
| Esprit S2 JPS Special | 1978 | 2,0L 907, 160 pk | ~149 |
| Esprit S2.2 | 1980–1981 | 2,2L 912, 160 pk | 88 |
| Essex Turbo Esprit | 1980–1981 | 2,2L turbo, 210 pk | 45 |
| Esprit S3 | 1981–1987 | 2,2L 912, 160 pk | 767 |
| Esprit S3 Turbo | 1981–1986 | 2,2L turbo, 210 pk | 1.215 |
| Esprit HC / Turbo HC | 1986–1987 | 2,2L HC & turbo HC | 429 |
| Stevens-tijdperk | |||
| Esprit Turbo | 1987–1989 | 2,2L turbo, 215 pk | 506 |
| Esprit Turbo SE | 1989–1993 | 2,2L turbo, 264 pk | 1.608 |
| Esprit Sport 300 | 1992–1993 | 2,2L turbo, 300 pk | ~8 |
| Esprit S4 | 1994–1995 | 2,2L turbo, 264 pk | 515 |
| Esprit S4s | 1995–1996 | 2,2L turbo, 285 pk | 198 |
| Esprit GT3 | 1996–1997 | 2,0L turbo, 240 pk | 161 |
| V8-tijdperk | |||
| Esprit V8 / V8 SE / V8 GT | 1996–2001 | 3,5L V8 twin-turbo, 350 pk | 579 |
| Esprit Sport 350 | 1999 | 3,5L V8 twin-turbo, 350 pk | 42 |
| Esprit V8 (facelift) | 2001–2002 | 3,5L V8 twin-turbo, 350 pk | 246 |
| Esprit V8 Final Edition | 2002–2004 | 3,5L V8 twin-turbo, 350 pk | ~79 |
| Totaal geproduceerd | 10.675 | ||
Productieaantallen zijn gebaseerd op gegevens van Lotus Cars, Lotus Esprit World en lotusespritfactfile.com. Sommige aantallen zijn schattingen vanwege onvolledige fabrieksregistraties.